Een verzameling ongepaste verhalen

Aflevering 2

Een kwestie van smaak

Deel dit verhaalWhatsAppFacebook

Er zijn mensen die menen dat goede smaak aangeboren is.

Dat is niet waar.

Goede smaak is het resultaat van opvoeding, ontwikkeling, financiële mogelijkheden en een zekere bereidheid om zich te laten corrigeren door mensen die er verstand van hebben.

Ik beschikte over alle vier.

Bep over geen enkele.

Dat betekende overigens niet dat ik haar niet waardeerde. Integendeel. Bep was al vijftien jaar bij mij in dienst en behoorde tot de weinige mensen in mijn omgeving die ik zonder enige aarzeling mijn huissleutels, mijn bankpas en mijn echtgenoot zou toevertrouwen.

Mijn garderobe was een ander verhaal.

Het was donderdagochtend toen ze aankondigde dat ze een haring ging halen.

‘Een wat?’

‘Een haring.’

‘Waarom?’

‘Omdat ik trek heb.’

‘Bep, het is half elf.’

‘Ja. En?’

Ik keek op van mijn laptop.

‘Je hebt toch ontbeten?’

‘Ja.’

‘En nu wil je haring?’

‘Goed hè? Hoe dat werkt met eten.’

Ik besloot haar sarcasme te negeren.

‘Waar ga je die halen?’

‘Op de Albert Cuyp.’

Ik legde mijn pen neer.

‘Waarom zou je helemaal naar de Albert Cuyp gaan?’

‘Omdat daar een viskraam staat.’

‘Bep, op de Cornelis Schuytstraat zit een uitstekende viswinkel.’

Ze keek me aan.

Dat deed ze vaker.

Het was een blik die doorgaans voorafging aan een opmerking die ik liever niet had gehoord.

‘Die visjuwelier?’

‘Pardon?’

‘Die tent waar ze een haring verkopen alsof je een verlovingsring komt uitzoeken.’

‘Dat is een gerenommeerde zaak.’

‘Ja. Met gerenommeerde prijzen.’

‘Je betaalt voor kwaliteit, Bep.’

‘Je betaalt voor de huur van dat pand, Eef. Die haring komt gewoon uit dezelfde zee.’

Ik zuchtte.

‘Het gaat om de totale beleving.’

‘Ik wil een haring eten. Ik ga niet op huwelijksreis.’

Bep had een buitengewoon merkwaardige verhouding met geld.

Ze was er zuinig op wanneer het haar eigen geld betrof en volkomen ongevoelig voor de bedragen die andere mensen bereid waren uit te geven.

Een Hermès-sjaal van zeshonderd euro vond ze belachelijk.

Een kaartje voor André Rieu van honderdvijftig euro vond ze een koopje.

Ik had haar ooit geprobeerd uit te leggen dat een zijden sjaal een investering was.

’Waarin dan?’ had ze gevraagd.

‘In kwaliteit.’

‘Nou, ik heb een sjaal van de HEMA die al twaalf jaar meegaat.’

‘Dat is niet hetzelfde.’

‘Nee, die was twaalf euro.’

Daar viel weinig tegenin te brengen.

Niet omdat ze gelijk had, maar omdat ze het verschil tussen prijs en waarde principieel weigerde te erkennen.

Die ochtend had ik overigens belangrijkere zaken aan mijn hoofd.

Ik was bezig met de voorbereiding van een adviesgesprek voor een familiebedrijf waarvan de tweede generatie er binnen drie jaar in was geslaagd een onderneming met honderdtwintig medewerkers aan de rand van een faillissement te brengen.

De vader had het bedrijf in 1978 opgericht vanuit een garage.

De zoons hadden allebei een MBA.

Dat laatste verklaarde veel.

Ik was bezig de financiële cijfers door te nemen toen Bep opnieuw verscheen.

‘Ga je mee?’

Ik keek op.

‘Waarheen?’

‘Naar de Albert Cuyp.’

‘Bep, ik ben aan het werk.’

‘Je zit naar een scherm te kijken.’

‘Dat heet tegenwoordig werken.’

‘Nou, ik dacht, je kan wel een frisse neus gebruiken.’

‘Ik heb over twintig minuten een afspraak.’

‘Met wie?’

‘Een directie.’

‘Die kan toch ook wel even wachten?’

‘Nee, Bep.’

Ze haalde haar schouders op.

‘Nou, dan niet.’

Ze draaide zich om.

‘Maar ik neem geen haring voor je mee van die visjuwelier.’

‘Dat hoeft ook niet.’

‘Mooi.’

Ik keek haar na.

Vijf minuten later verplaatste ik mijn afspraak naar de middag.

Niet vanwege de haring.

Ik had behoefte aan frisse lucht.

Dat was iets heel anders.

De Albert Cuypmarkt was precies zoals ik me herinnerde.

Druk.

Luidruchtig.

En vol mensen die kennelijk collectief hadden besloten dat een boodschappentas geen enkele esthetische functie hoefde te vervullen.

Bep liep voor me uit alsof ze de burgemeester van Amsterdam was.

’Ha, Beppie!’ riep een man achter een groentekraam.

‘Ha, ouwe!’

‘Hoe is het met je?’

‘Ken beter, ken slechter!’

Ze liep door.

’Ken je die man?’ vroeg ik.

‘Nee.’

‘Waarom noemt hij je dan Beppie?’

‘Omdat ik zo heet.’

‘Je heet Bep.’

‘Ja, Eef. En jij heet Eveline-Carolina. Maar daar kan die man ook niks aan doen.’

Ik besloot dat ik mijn energie beter kon bewaren.

Bij de viskraam stond een rij.

Bep sloot achteraan.

Ik keek naar de toonbank.

Er lagen haringen, makrelen, paling en diverse andere zeedieren die in hun laatste levensfase kennelijk niet op enige vorm van privacy hadden kunnen rekenen.

’We kunnen ook ergens gaan zitten,’ stelde ik voor.

‘Waar dan?’

‘Bijvoorbeeld bij een restaurant.’

‘Voor een haring?’

‘Voor de lunch.’

‘Het is elf uur.’

‘Dat weet ik.’

‘Nou, ik wil gewoon een haring.’

Ik keek naar de rij.

‘Moeten we hier echt wachten?’

‘Ja.’

‘Kunnen we niet gewoon bestellen?’

‘Dat doen we zo.’

‘Ik bedoel telefonisch.’

Bep draaide zich langzaam naar me om.

‘Eef.’

‘Wat?’

‘Het is een haringkraam. Geen privékliniek.’

Toen we eindelijk aan de beurt waren, begroette de visboer Bep alsof ze een verloren familielid was.

‘Beppie! Twee met uitjes?’

‘Ja, en eentje zonder voor mevrouw.’

Ik keek haar aan.

‘Ik wil helemaal geen haring.’

‘Jawel.’

‘Bep.’

‘Proef nou maar.’

De visboer hield me een haring voor.

Ik keek naar het beest.

Het beest keek niet terug.

Dat was vermoedelijk het enige geruststellende aan de situatie.

’Heeft u misschien een bordje?’ vroeg ik.

De visboer keek naar Bep.

Bep keek naar de visboer.

Ze begonnen allebei te lachen.

’Een bordje!’ herhaalde hij.

‘Ja,’ zei ik. ’Is dat zo’n vreemde vraag?’

‘Nee hoor, mevrouw. Wilt u er ook een mes en vork bij?’

‘Als dat mogelijk is.’

Bep moest zich aan de toonbank vasthouden.

‘Geef haar nou maar gewoon dat ding, Henk.’

Hij overhandigde me de haring op een kartonnen schaaltje.

Ik keek naar Bep.

‘En hoe eet ik dit?’

‘Met je mond, Eef.’

Ik haalde diep adem.

‘Ik bedoel zonder bestek.’

Bep pakte haar eigen haring bij de staart, hield haar hoofd achterover en liet het beest met een souplesse verdwijnen die ik doorgaans uitsluitend bij circusartiesten bewonderde.

‘Zo.’

Ik keek haar aan.

‘Dat ga ik niet doen.’

‘Dan niet.’

Ze nam nog een hap.

Ik keek naar mijn haring.

Toen naar de visboer.

Die stond inmiddels zichtbaar te genieten.

Ik besloot dat ik mij niet door een stuk vis zou laten intimideren.

Ik pakte de haring bij de staart.

Hield hem omhoog.

En nam voorzichtig een hap.

Het was uitstekend.

Werkelijk uitstekend.

Vers, zacht, precies goed gezouten.

Ik keek verbaasd naar Bep.

‘Dit is bijzonder lekker.’

‘Ja, hè?’

‘Veel beter dan ik had verwacht.’

‘Dat krijg je als je een keer niet voor de inrichting betaalt.’

Ik nam nog een hap.

Er viel een stukje ui op mijn jas.

Mijn Max Mara.

Ik keek naar de vlek.

Bep keek naar de vlek.

‘Nou,’ zei ze. ’Dan heb je in ieder geval nog een reden om die dure stomerij te bezoeken.’

We besloten koffie te drinken.

Althans, ik besloot dat.

Bep wilde eigenlijk nog naar de bloemenkraam, maar ik vond dat er grenzen waren aan de hoeveelheid culturele integratie die een vrouw op één ochtend kon verwerken.

We vonden een tafeltje bij een klein café.

De stoelen stonden scheef, de menukaart was geplastificeerd en de serveerster noemde mij ’schat’.

Ik besloot dat laatste als een vorm van lokale gastvrijheid te beschouwen.

’Wat wil je drinken?’ vroeg ik.

‘Koffie.’

‘Welke?’

‘Gewoon.’

‘Een espresso?’

‘Nee.’

‘Een cappuccino?’

‘Nee.’

‘Een americano?’

Bep keek me aan.

‘Eef, ik wil koffie. Geen sollicitatiegesprek.’

Ik bestelde twee koffie.

De serveerster vroeg of we er melk en suiker bij wilden.

Bep zei ja.

Ik zei nee.

Dat was vermoedelijk het enige moment van de ochtend waarop onze voorkeuren zonder verdere discussie konden worden vastgesteld.

’Zeg eens eerlijk,’ begon Bep.

Ik keek op.

Dat was doorgaans een gevaarlijke opening.

‘Wat?’

‘Vind jij mij eigenlijk ordinair?’

Ik verslikte me bijna in mijn koffie.

‘Wat een merkwaardige vraag.’

‘Nou, gewoon.’

‘Waarom zou ik jou ordinair vinden?’

‘Omdat ik uit Noord kom. Omdat ik plat praat. Omdat ik haring uit de hand eet.’

‘Dat heeft niets met ordinair te maken.’

‘Nee?’

‘Nee.’

‘Wat dan wel?’

Ik dacht na.

Dat was mijn fout.

Bep glimlachte.

‘Zie je wel.’

‘Bep, ik vind je absoluut niet ordinair.’

‘Mooi.’

‘Ik vind alleen dat je soms wat meer aandacht zou kunnen besteden aan bepaalde omgangsvormen.’

‘Zoals?’

‘Bijvoorbeeld dat je niet met je mond vol praat.’

‘Dat doe jij ook.’

‘Ik doe dat niet.’

‘Vorige week nog. Met die advocaat.’

‘Dat was een zakelijke lunch.’

‘Ja, en je zat met een stuk zalm in je mond uit te leggen dat die man geen verstand van arbeidsrecht had.’

‘Dat was ook zo.’

‘Nou dan.’

Ik keek naar buiten.

Er liep een vrouw voorbij in een felroze trainingspak met gouden slippers.

Ik besloot daar niets over te zeggen.

Bep volgde mijn blik.

‘Leuk pakkie.’

Ik zweeg.

‘Vind jij zeker niks.’

‘Ik heb geen mening.’

‘Dat is voor het eerst.’

Mijn telefoon trilde.

Een bericht van Vera.

Good morning, beautiful. What are you doing?

Ik glimlachte.

Having coffee with Bep at the Albert Cuyp market.

Er verschenen onmiddellijk drie puntjes.

YOU? At a street market? 😂

Ik voelde mij enigszins beledigd.

I am perfectly capable of visiting a market.

Did you buy anything?

A herring.

Er volgde een stilte.

Toen:

I need photographic evidence.

Ik keek naar Bep.

‘Vera gelooft niet dat ik haring heb gegeten.’

Bep stak haar hand uit.

‘Geef hier.’

‘Wat ga je doen?’

‘Een foto maken.’

‘Dat hoeft niet.’

‘Geef nou maar.’

Ik gaf haar mijn telefoon.

Ze richtte de camera op mij.

‘Pak die staart.’

‘Bep.’

‘Kom op.’

Ik pakte het laatste stukje haring.

Bep maakte een foto.

Ik keek naar het resultaat.

Mijn haar zat niet goed.

Er zat een vlek op mijn jas.

En ik hield een half opgegeten vis omhoog alsof ik zojuist persoonlijk de Noordzee had leeggevist.

‘Die ga je niet versturen.’

‘Te laat.’

‘BEP!’

Ze gaf me mijn telefoon terug.

Vera reageerde binnen tien seconden.

OH MY GOD. WHO ARE YOU AND WHAT HAVE YOU DONE WITH MY LADY? 😂❤️

Ik keek naar de foto.

Toen naar Bep.

‘Je hebt mijn reputatie vernietigd.’

‘Nou, dan was het een goedkope reputatie. Die haring kostte drie euro.’

Op de terugweg liepen we langs een kledingkraam.

Bep bleef staan.

‘O, kijk nou.’

Ze pakte een felgekleurde blouse uit een rek.

Ik keek naar het kledingstuk.

Het had een bloemenpatroon dat vermoedelijk was ontworpen tijdens een bijzonder heftige migraineaanval.

’Wat vind je?’ vroeg ze.

‘Van wat?’

‘Van die blouse.’

Ik keek ernaar.

‘Bep, ik denk dat we allebei weten wat ik ervan vind.’

‘Mooi.’

‘Dat heb ik niet gezegd.’

‘Nee, maar je keek alsof je moeder net dood was.’

Ik zuchtte.

Ze hield de blouse voor zich.

‘Tien euro.’

‘Dat is te zien.’

‘Nou, ik vind ’m leuk.’

‘Dan moet je hem kopen.’

‘Dat ga ik ook doen.’

Ze rekende af.

De marktkoopman stopte de blouse in een plastic tas.

Bep keek naar mij.

‘Weet je wat het verschil is tussen jou en mij, Eef?’

‘Ik vermoed dat je het me gaat vertellen.’

‘Jij denkt dat iets mooi is omdat het duur is.’

‘Dat is onzin.’

‘En ik vind iets mooi omdat ik het mooi vind.’

‘Dat is een bijzonder simplistische voorstelling van zaken.’

‘Ja. Dat zei je vorige week ook al.’

Ze liep verder.

Ik bleef even staan.

Keek naar de blouse.

Toen naar mijn eigen jas.

Max Mara.

Een vlek van een haring van drie euro.

En ineens moest ik lachen.

Niet omdat Bep gelijk had.

Dat zou te ver gaan.

Maar omdat ik me realiseerde dat ik zojuist een volstrekt heerlijke ochtend had gehad.

Toen we terugkwamen aan de Apollolaan, stond Floris voor de deur.

Hij was onverwacht vanuit de Veluwe gekomen om een paar zaken in Amsterdam af te handelen.

Hij keek naar Bep.

Naar haar plastic tas.

Naar mijn jas.

‘Wat is hier gebeurd?’

’We zijn naar de markt geweest,’ zei Bep.

Floris keek mij aan.

‘Vrijwillig?’

‘Ja, Floris.’

Hij bekeek de vlek op mijn jas.

‘Heb je gevochten?’

‘Ik heb haring gegeten.’

Hij knikte langzaam.

‘Dat verklaart een hoop.’

Bep haalde haar nieuwe blouse uit de tas.

‘Kijk, Floris. Tien euro.’

‘Mooi ding, Bep.’

‘Vind je?’

‘Ja.’

Ik keek hem aan.

‘Dat meen je niet.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat het een afschuwelijke blouse is.’

Bep keek triomfantelijk.

Floris haalde zijn schouders op.

‘Als Bep hem mooi vindt, is het toch goed?’

Ik zuchtte.

Dat was precies het probleem met mijn omgeving.

Iedereen vond tegenwoordig dat mensen vooral moesten doen waar ze zelf gelukkig van werden.

Een buitengewoon sympathiek uitgangspunt.

In theorie.

Die avond stuurde Vera een bericht.

I showed Marlene your herring picture.

Ik verstijfde.

You did WHAT?

She thinks you’re adorable.

Ik staarde naar het scherm.

Adorable.

Ik was achtenvijftig jaar oud, had een indrukwekkende carrière achter de rug en had ooit een complete raad van bestuur laten vervangen.

En nu vond een Duitse vrouw die ik nog nooit had ontmoet mij schattig.

Please tell your wife I am not adorable.

She also wants to know if you always dress like that.

Ik keek naar mijn telefoon.

Like WHAT?

She said you look very expensive.

Ik ontspande.

Eindelijk.

Iemand met enig gevoel voor verhoudingen.

Well, at least someone in Germany has taste.

Vera stuurde een lachende emoji.

She meant it as an insult, darling.

Ik legde mijn telefoon neer.

Duitsland.

Het bleef een ingewikkeld land.

De volgende ochtend kwam Bep binnen in haar nieuwe blouse.

Felroze.

Oranje bloemen.

Groene bladeren.

Een visueel bombardement waar zelfs een verkeersregelaar nerveus van zou worden.

‘Goedemorgen, Eef!’

Ik keek op.

Zette mijn bril af.

Keek opnieuw.

‘Bep.’

‘Ja?’

‘Die blouse.’

‘Mooi, hè?’

Ik ademde langzaam in.

Dacht aan de Albert Cuyp.

Aan de haring.

Aan Vera.

Aan Floris.

Aan het feit dat ik een intelligente, ruimdenkende vrouw was die mensen respecteerde om wie ze waren.

En niet om wat ze droegen.

‘Prachtig, Bep.’

Ze keek me aan.

Toen begon ze te lachen.

‘Je liegt dat je barst.’

Ik glimlachte.

‘Ja.’

‘Mooi. Dan zijn we het daar tenminste over eens.’

Ze liep naar de keuken.

Ik opende mijn laptop.

Mijn telefoon trilde.

Een foto van Vera.

Ze had een nieuw T-shirt gekocht.

Met een enorme doodskop erop.

Daaronder stond:

For our next date, darling? 😈

Ik keek naar het plafond.

Ergens moest een grens zijn.

Ik wist alleen niet meer precies waar.

Vanuit de keuken riep Bep:

‘Eef! Wil je koffie?’

‘Graag!’

‘Gewone?’

Ik glimlachte.

‘Gewone, Bep.’

‘Kijk. Je leert het nog wel.’

Einde aflevering 2.

Deel dit verhaalWhatsAppFacebook

Mis geen aflevering

Laat je e-mailadres achter en we laten je weten wanneer er een nieuw verhaal is.