Een verzameling ongepaste verhalen

Aflevering 1

De vos en de zenuwinzinking

Deel dit verhaalWhatsAppFacebook

Er zijn momenten waarop een vrouw zich moet afvragen of ze werkelijk alles uit het leven heeft gehaald. Of ze haar talenten voldoende heeft benut, haar kinderen behoorlijk heeft opgevoed en haar maatschappelijke verantwoordelijkheden naar behoren heeft vervuld.

En er zijn momenten waarop ze zich moet afvragen waarom de vrouw van wie ze houdt vrijwillig een doodgereden vos op haar bovenarm heeft laten tatoeëren.

Het was dinsdag.

Ik zat aan de ontbijttafel in mijn appartement aan de Apollolaan en had zojuist vastgesteld dat Bep de zilveren kandelaars met een vaatdoek had afgenomen, toen mijn telefoon trilde.

Een bericht van Vera.

Look what I got, darling! ❤️

Daaronder een foto.

Ik zette mijn kopje neer.

Pakte mijn leesbril.

Zette hem op.

Deed hem weer af.

Soms helpt het om een probleem vanuit verschillende perspectieven te bekijken.

Helaas.

Het was een vos.

Althans, ik nam aan dat het een vos moest voorstellen. Het dier had iets weg van een uitgemergelde coyote die onder invloed van verdovende middelen door een Scandinavisch bos was gejaagd.

Daaronder bevond zich een verzameling geometrische lijnen die mogelijk een diepere spirituele betekenis hadden. Het konden ook de instructies zijn voor een Billy-boekenkast waarvan de laatste drie schroeven ontbraken.

Ik zoomde in.

Dat had ik beter niet kunnen doen.

‘Christus.’

‘Wat nou weer?’

Bep verscheen in de deuropening met een poetsdoek over haar schouder en een boterham in haar hand.

‘Er is iets verschrikkelijks gebeurd.’

‘Is Floris dood?’

‘Nee.’

‘Nou, dan valt het mee.’

Ze nam een hap van haar boterham.

Ik draaide mijn telefoon naar haar toe.

‘Kijk.’

Bep boog zich voorover.

‘Een vos.’

‘Dat zie ik zelf ook wel, Bep.’

‘Waarom laat je het dan zien?’

‘Het is een tatoeage.’

‘Goh. Ik dacht al, wat een raar geboortekaartje.’

Ik ademde langzaam uit.

Bep was al vijftien jaar bij mij in dienst en had in die tijd een bijzondere vaardigheid ontwikkeld om op volstrekt ongepaste momenten precies het verkeerde te zeggen.

‘Van wie is die arm?’ vroeg ze.

‘Van Vera.’

‘Ah. Die Duitse.’

‘Ja.’

‘Die waar je de hele dag mee zit te appen.’

‘Ik zit niet de hele dag te appen.’

‘Nee, je zit ook weleens te bellen.’

‘Bep.’

‘Wat?’

‘Kun je je misschien even concentreren op het probleem?’

Ze bekeek de foto opnieuw.

‘Wat is het probleem?’

‘Die tatoeage!’

‘Nou, ik vind ’m ook niet mooi.’

‘Eindelijk.’

‘Maar ik hoef er ook niet mee rond te lopen.’

Ze verdween richting keuken.

Ik keek haar na.

Er waren momenten waarop ik serieus overwoog haar te ontslaan.

Helaas wist ik dat ze binnen een week terug zou zijn om te controleren of haar opvolgster het zilver wel behoorlijk poetste.

Ik had niets tegen tatoeages.

In principe.

Ik vond alleen dat ze thuishoorden op zeelieden, motorrijders en mensen die hun levenskeuzes doorgaans niet met een notaris bespraken.

Vera had er meerdere.

Dat wist ik toen ik verliefd op haar werd.

Ik had het destijds beschouwd als een betreurenswaardig maar beheersbaar detail.

Zoals een slecht gebit bij een verder uitstekende accountant.

Maar er bleven nieuwe bijkomen.

En ik begon mij af te vragen of liefde misschien toch aan een welstandscommissie onderworpen moest worden.

Het merkwaardige was dat Vera een buitengewoon intelligente vrouw was. Psycholoog, twee universitaire diploma’s, een scherp gevoel voor humor en een vermogen om mensen te doorgronden dat ik zowel bewonderde als buitengewoon hinderlijk vond.

Ze was veertig, getrouwd met een vrouw, moeder van twee kinderen en woonde ergens in Duitsland waar men kennelijk geen enkele vorm van esthetisch toezicht kende.

We hadden elkaar nooit ontmoet.

Dat was geen toeval.

We hadden allebei een leven dat we niet wilden opgeven. Een huwelijk, familie, verantwoordelijkheden en een eigen wereld die uitstekend functioneerde zolang niemand er met onrealistische verwachtingen doorheen begon te stampen.

Dus hadden we een afspraak.

Een denkbeeldig fluwelen gordijn.

Daarachter bestond iets van ons samen. Intiem, liefdevol, soms ondeugend, soms bloedserieus. Een wereld waarin ik doorgaans bepaalde wat er gebeurde en Vera zich daar meestal uitstekend in kon vinden.

Behalve wanneer het over tatoeages ging.

Blijkbaar.

Ik opende WhatsApp.

Oh darling!

Nee.

Te enthousiast.

Wow!

Dat was technisch gezien geen leugen. Ik was immers oprecht geschokt.

That’s quite something!

Ook niet. Dat kon als een compliment worden opgevat.

Ik legde mijn telefoon neer.

Er moest een diplomatieke oplossing bestaan.

Ik had ooit onderhandelingen gevoerd met een Franse directie die weigerde te erkennen dat hun complete managementstructuur overbodig was. Ik had een ontslagronde van vierhonderd medewerkers begeleid zonder één rechtszaak. Ik had Clementine overleefd, wat op zichzelf een indrukwekkende kwalificatie was voor iedere vorm van crisismanagement.

Dit moest kunnen.

Ik typte:

Did it hurt, darling?

Kijk.

Belangstellend. Liefdevol. Empathisch.

En volkomen vrij van esthetische consequenties.

Ik drukte op verzenden.

Vervolgens stond ik op en liep naar de wijnkoelkast.

Het was 10.47 uur.

Ik ben geen vrouw die voor het middaguur drinkt. Daar bestaan regels voor, en die regels hebben een uitstekende reden.

Maar ik vond dat Duitsland die ochtend wel erg veel van mij vroeg.

Om elf uur belde Floris.

‘Goedemorgen.’

‘Er is iets verschrikkelijks gebeurd.’

‘Is Clementine dood?’

‘Nee.’

‘Jammer.’

‘Floris.’

‘Wat?’

‘Vera heeft een nieuwe tatoeage.’

Het bleef even stil.

‘En?’

‘En?’

‘Ja. En?’

‘Een vos, Floris.’

‘Leuk.’

‘Leuk?’

‘Ik hou wel van vossen.’

Ik sloot mijn ogen.

Er waren dagen waarop ik me werkelijk afvroeg hoe deze man en ik dertig jaar getrouwd hadden kunnen blijven.

Floris woonde op de Veluwe, op een oude boerderij met land, honden en een Land Rover die volgens hem nog minstens twintig jaar meekon en volgens de garagehouder al drie jaar geleden begraven had moeten worden.

Ik woonde in Amsterdam.

Dat was een uitstekende regeling.

We hielden van elkaar, brachten regelmatig weekenden samen door, gingen op vakantie en hadden na dertig jaar huwelijk ontdekt dat liefde aanzienlijk beter gedijde wanneer niet iedere discussie over de juiste temperatuur van de slaapkamer hoefde te worden gevoerd.

‘Het gaat niet om een echte vos,’ zei ik.

‘Dat begrijp ik.’

‘Het gaat om een afbeelding van een vos.’

‘Dat begrijp ik ook.’

‘Op haar arm.’

‘Waar had je hem liever gehad?’

‘Floris, wil je alsjeblieft even serieus zijn?’

‘Ik probeer het. Maar het is elf uur en je belt me over een Duitse vos.’

‘Jij belde mij.’

‘Dat was voordat ik wist waar het over zou gaan.’

Ik nam een slok Sancerre.

‘Ik begrijp niet waarom iemand zoiets met haar lichaam zou doen.’

‘Misschien vindt ze het mooi.’

Dat was een buitengewoon vervelende suggestie.

‘Dan heeft ze een probleem.’

‘Volgens mij heb jij een probleem.’

‘Ik heb smaak.’

‘Dat bedoel ik.’

Floris kon op zulke momenten bijzonder onaangenaam zijn.

‘Je begrijpt het niet.’

‘Nee, dat klopt.’

‘Ik hou van die vrouw.’

‘Dat weet ik.’

‘Maar dit.’

‘Wat?’

‘Dit is toch verschrikkelijk?’

Hij zuchtte.

‘Lieverd, je hebt ooit een lamp gekocht voor vierduizend euro die eruitzag als een verongelukte flamingo. Ik heb daar ook niets van gezegd.’

‘Dat was Italiaans design.’

‘Die flamingo wist dat niet.’

Ik verbrak de verbinding.

Niet uit boosheid.

Soms is een gesprek eenvoudigweg voltooid.

Om kwart over elf kwam het antwoord van Vera.

Yes, a little. But I love it so much! 🥰

Ik staarde naar de woorden.

I love it so much.

Dat was het probleem met mensen die werkelijk gelukkig waren met hun eigen keuzes.

Ze lieten bijzonder weinig ruimte voor constructieve kritiek.

Ik typte:

I’m happy you’re happy, sweetheart.

Dat vond ik een meesterwerk.

Het was waar. Ik was gelukkig als Vera gelukkig was.

Ik had alleen liever gezien dat haar geluk zich manifesteerde in een nieuwe keuken, een promotie of desnoods een elektrische fiets.

Niet in permanente lichaamsdecoratie.

Er verschenen drie puntjes.

Vera was aan het typen.

You hate it, don’t you? 😂

Ik verstijfde.

Hoe wist ze dat?

Ik had mij buitengewoon zorgvuldig uitgedrukt.

Of course not!

Verzonden.

Ik keek naar mijn antwoord.

Juridisch gezien was dit mogelijk problematisch.

Eveline.

Eén woord.

Mijn naam.

Niet darling. Niet sweetheart.

Eveline.

Dat deed ze wanneer ze wist dat ik onzin verkocht.

What?

You asked if it hurt.

Because I care about you.

You always ask if it hurt when you think something is ugly.

Ik voelde mij diep onrechtvaardig behandeld.

Vooral omdat ze gelijk had.

‘Bep!’

‘Wat?’

‘Kom eens.’

Ze verscheen met een pot Amsterdamse uitjes.

‘Wat is er nou weer?’

‘Vera denkt dat ik haar tatoeage lelijk vind.’

Bep draaide het deksel van de pot.

‘Dat vind je toch ook?’

‘Dat is niet relevant.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat ik haar niet wil kwetsen.’

‘Dan zeg je toch dat je ’m mooi vindt?’

‘Ik ga niet liegen.’

Bep keek naar mijn wijnglas.

‘Nee, dat zou wat wezen.’

‘Ik ben een eerlijk mens.’

‘Dat weet ik, Eef. Je hebt me vorige week nog verteld dat m’n nieuwe kapsel me tien jaar ouder maakte.’

‘Dat was constructieve feedback.’

‘Ja. Nou, ik heb er geen traan om gelaten.’

Ze viste met haar vingers een uitje uit de pot.

‘Bep!’

‘Wat?’

‘Gebruik alsjeblieft een vork.’

‘Ik ben de enige die eruit eet.’

‘Dat doet niet ter zake.’

Ze pakte een zilveren oestervorkje van het dressoir.

Ik besloot dat ik op dat moment niet over voldoende geestelijke veerkracht beschikte om daar ook nog iets van te vinden.

‘Weet je wat jouw probleem is?’ vroeg ze.

‘Ik vermoed dat je het me gaat vertellen.’

‘Je wil dat iedereen zichzelf is, zolang ze maar precies doet wat jij mooi vindt.’

‘Dat is een buitengewoon simplistische voorstelling van zaken.’

‘Ja. Daarom snap ik het ook.’

Ze liep terug naar de keuken.

Ik keek naar mijn telefoon.

Vera had een nieuwe foto gestuurd.

Ditmaal van zichzelf.

Ze glimlachte.

Haar haar zat volkomen verkeerd. Ze droeg een verwassen zwart T-shirt en haar nieuwe vos was prominent in beeld.

Ze zag er gelukkig uit.

Ontzettend gelukkig.

En ik moest, tot mijn eigen ergernis, glimlachen.

Niet om de vos.

God bewaar me.

Maar om haar.

Om half twaalf belde Clementine.

Ik nam op met het vaste voornemen niets over Vera te vertellen.

‘Goedemorgen, kind. Ben je ziek?’

‘Nee. Hoezo?’

‘Je klinkt gespannen.’

‘Ik ben niet gespannen.’

‘Je praat sneller dan normaal.’

‘Ik praat altijd snel.’

‘Dat is ook zo. Bernard zegt dat dat bij sommige persoonlijkheidsstoornissen voorkomt.’

Bernard.

Mijn pleegmoeder kende Bernard sinds 1987, toen ze samen in het bestuur van een liefdadigheidsstichting hadden gezeten die na een financieel schandaal geruisloos was opgeheven.

Bernard was psychiater.

Dat maakte hem volgens Clementine bevoegd om iedere vorm van menselijk gedrag te beoordelen, van depressie tot het dragen van witte schoenen na september.

‘Bernard heeft mij nooit onderzocht.’

‘Dat hoeft ook niet altijd, kind.’

Ik nam een slok wijn.

‘Waar bel je voor?’

‘Ik wilde vragen of je zondag komt lunchen.’

‘Misschien.’

‘Met Jan-Floris?’

‘Waarschijnlijk.’

‘Gelukkig. Jullie zien elkaar zo weinig.’

‘We zijn getrouwd, moeder. Niet Siamese tweelingen.’

‘Dat is tegenwoordig allemaal zo modern.’

Er viel een stilte.

Ik had moeten ophangen.

Dat deed ik niet.

‘Moeder, wat vind jij eigenlijk van tatoeages?’

Er volgde een stilte die in lengte en intensiteit vergelijkbaar was met de twee minuten nationale dodenherdenking.

‘Waarom vraag je dat?’

‘Zomaar.’

‘Heb je er een laten zetten?’

‘Nee.’

‘Heeft Jan-Floris er een?’

‘Nee.’

‘Een van de kinderen?’

‘Nee, moeder.’

Ze haalde hoorbaar adem.

‘Eveline-Carolina.’

Wanneer Clementine mijn volledige voornamen gebruikte, stond er doorgaans een moreel tribunaal op het punt bijeen te komen.

‘Is er iemand in je omgeving met tatoeages?’

Ik keek naar mijn telefoon.

De vos staarde terug.

‘Dat zou kunnen.’

‘Wat voor iemand?’

‘Een psycholoog.’

Opnieuw stilte.

‘Een psycholoog.’

‘Ja.’

‘Met tatoeages.’

‘Ja.’

‘Dan zou ik toch eens naar haar opleiding informeren.’

Ik keek naar het plafond.

‘Het is een Duitse vrouw.’

‘Ook dat nog.’

‘Wat bedoel je daarmee?’

‘Niets, kind. Maar ze hebben daar natuurlijk een heel andere geschiedenis met symbolen.’

‘Het is een vos, moeder. Geen hakenkruis.’

‘Dat weet je nooit met die moderne kunst.’

Ik wreef over mijn voorhoofd.

‘Ik moet ophangen.’

‘Is ze verder wel netjes?’

‘Wat bedoel je met netjes?’

‘Nou. Haar uiterlijk.’

Ik zweeg.

Dat was mijn tweede fout.

Mijn eerste was geweest om op te nemen.

‘Eveline?’

‘Ze heeft piercings.’

Ik hoorde iets vallen.

Vermoedelijk haar leesbril.

‘Piercings?’

‘Ja.’

‘Waar?’

‘Moeder.’

‘Ik vraag het alleen maar.’

‘Dat is nu juist het probleem.’

Ze zuchtte.

‘Misschien moet ik Bernard toch even bellen.’

‘Waarom in godsnaam?’

‘Gewoon. Voor de zekerheid.’

‘Ik heb geen psychiatrische hulp nodig omdat ik iemand ken met een tatoeage.’

‘Dat zeg ik ook niet, kind.’

‘Wat zeg je dan?’

‘Dat je vroeger zulke keurige vriendinnen had.’

Ik hing op.

Om twaalf uur had ik het grootste gedeelte van de fles Sancerre opgedronken.

Dat was geen gewoonte.

Ik wil dat nadrukkelijk vermeld hebben.

Bep kwam de eetkamer binnen met een schaal broodjes en bleef staan.

‘Zo.’

‘Wat?’

‘Gezellig. Is de lunch afgelast of ben je alvast aan het dessert begonnen?’

‘Bep, ik heb een buitengewoon moeilijke ochtend gehad.’

‘Ja, dat zie ik. De druiven ook.’

‘Ik ben emotioneel nogal belast.’

‘Je bent hartstikke bezopen, Eef.’

‘Ik ben niet bezopen. Ik ben licht aangeschoten.’

‘Nou, dan zou ik die lamp uitdoen, want je bent aardig verlicht.’

Ik keek haar vernietigend aan.

Bep pakte de lege fles van tafel.

‘En dat allemaal om een plaatje van een vos. Je had beter met die jager van je moeder kunnen trouwen. Die had ’m tenminste afgeschoten.’

‘Bep!’

‘Wat nou?’

‘Dat is werkelijk een afschuwelijke opmerking.’

‘Ja, maar ik heb er geen zes glazen wijn voor nodig gehad om ’m te bedenken.’

Ze verdween naar de keuken.

Ik keek naar de broodjes.

Toen naar mijn telefoon.

Vera had een bericht gestuurd.

You’re very quiet today, darling.

Ik typte:

I’m contemplating the complexities of unconditional love.

Ze antwoordde onmiddellijk.

You’re drinking wine, aren’t you?

Ik staarde naar het scherm.

Er waren momenten waarop ik het bijzonder onaangenaam vond dat deze vrouw psycholoog was.

That’s a rather inappropriate assumption.

It’s not an assumption, sweetheart.

Ik legde mijn telefoon neer.

Pakte hem weer op.

For your information, I’m having lunch.

It’s noon.

Exactly.

Er verscheen een lachende emoji.

Daarna:

I love you, you ridiculous woman.

Ik keek naar de woorden.

Mijn gezicht ontspande.

Er was iets aan Vera wat mij volkomen weerloos maakte. Niet haar uiterlijk. Niet haar kleding. En zeker niet haar volstrekt onverantwoordelijke omgang met permanente inkt.

Het was de manier waarop ze mij zag.

Niet als de vrouw die ik aan de buitenwereld presenteerde. Niet als de succesvolle, zelfverzekerde, doorgaans behoorlijk intimiderende Eveline-Carolina van Aerssen.

Maar als iemand die om twaalf uur ’s middags een fles wijn kon leegdrinken omdat een Duitse psycholoog een vos op haar arm had laten zetten.

En daar dan nog van hield ook.

Ik typte:

I love you too.

Even later:

Even with my ugly fox? 😏

Ik glimlachte.

Don’t push your luck, young lady.

Om 12.17 uur ontving ik een bericht van Floris.

Clementine heeft gebeld. Wie is Bernard en waarom moet hij langskomen?

Ik sloot mijn ogen.

Een tweede bericht volgde.

Bep zegt dat je de Sancerre op hebt.

Ik keek richting keuken.

‘BEP!’

‘WAT NOU WEER?’

‘Heb jij Floris gebeld?’

‘Nee!’

‘Waarom weet hij dan dat ik wijn heb gedronken?’

‘Omdat ik ’m geappt heb!’

Ik zuchtte.

Dat was inderdaad een wezenlijk verschil.

Mijn telefoon trilde opnieuw.

Floris.

Ik kom vrijdag naar Amsterdam. Zullen we ergens eten?

Ik glimlachte.

Graag.

En doe die Duitse de groeten.

Ik keek naar de foto van Vera.

Naar haar glimlach.

Naar die afschuwelijke vos.

En ik realiseerde me dat ik oprecht gelukkig was.

Dat was misschien nog wel het meest verontrustende van de hele ochtend.

Om half één kwam Bep de eetkamer binnen.

Ze zette een kop koffie voor me neer.

‘Hier. Drink dit maar.’

‘Dank je, Bep.’

Ze keek naar mijn telefoon.

‘Nog steeds die vos?’

‘Ja.’

‘Nou, dan heb ik goed nieuws.’

‘Wat?’

‘Ik heb de wijnkoelkast bijgevuld.’

Ze liep naar de deur.

Draaide zich nog even om.

‘O, en Eef?’

‘Ja?’

‘Als die Duitse ooit een draak op d’r kont laat zetten, neem ik ontslag.’

Ik keek haar aan.

‘Waarom?’

‘Omdat ik geen zin heb om hier elke keer een AA-bijeenkomst te organiseren als dat mens naar de tattooshop is geweest.’

Ze verdween.

Ik bleef alleen achter.

Met mijn koffie.

Mijn telefoon.

En een vos.

Een afschuwelijke, volstrekt misplaatste, anatomisch twijfelachtige vos.

Die ik waarschijnlijk de rest van mijn leven zou moeten verdragen.

Ik opende WhatsApp.

Darling?

Yes?

Please promise me something.

Anything.

Ik aarzelde.

Never get dreadlocks.

Het duurde even voordat ze antwoordde.

Toen verscheen er een foto.

Van Vera.

Met een pruik.

Met dreadlocks.

En daaronder:

Too late, princess. 😈

Ik staarde naar het scherm.

‘BEP!’

Vanuit de keuken klonk een diepe zucht.

‘IK HEB DE FLES NOG NIET EENS IN DE GLASBAK GEGOOID!’

Einde aflevering 1.

Deel dit verhaalWhatsAppFacebook

Mis geen aflevering

Laat je e-mailadres achter en we laten je weten wanneer er een nieuw verhaal is.